top of page

Land van de Psalmen: in de schaduw van Davids grot

Na ons indrukwekkende bezoek aan het historische Susya vervolgen we onze weg, maar een kleine twee kilometer verderop stoppen we alweer met de bus. Ditmaal bij een kleine ruïne, die me (door de vlakke, grote stenen) direct doet denken aan een Hasmoneeënse structuur.


We staan voor Rujium el-Chamri (ook wel Rujum al-Hamri), letterlijk ‘de plaats van de Rode’, ‘rode rots’ of ‘de Rode Steenhoop’. Volgens lokale tradities is dit één van de grotten in het ‘Land van Psalmen’, de Bijbelse woestijn van Maon, waar David zich verborg voor koning Saul en waar hij, als herder in die eenzame wildernis, een aantal van zijn psalmen zou hebben gecomponeerd. Het gebied rondom Susya wordt daarom ook vaak aangeduid als het "Land van de Psalmen".


De Bijbel plaatst deze gebeurtenissen expliciet in dit gebied. In 1 Samuël 23:24-28 achtervolgt Saul David tot in “de rotsen van de woestijn Maon”, een smalle pas waar Saul bijna toeslaat, maar door goddelijke tussenkomst moet afhaken. Kort daarna, in 1 Samuël 24:22 (of 24:1 in sommige nummeringen), zoekt David opnieuw een schuilplaats in de woestijn van Maon en En-Gedi.


De ruige, onherbergzame hellingen, grotten en grottenstelsels hier boden natuurlijke schuilplaatsen en fortificaties: nauwe ingangen die makkelijk te verdedigen waren, donkere tunnels voor ontsnapping en uitzichtpunten die waarschuwingen gaven bij nadering van vijanden. Dit soort grottenstelsels waren ideaal voor een vluchteling als David, die vaak in eenzaamheid leefde en bad.


Psalm 31:4 weerspiegelt precies dit: “Want U bent mijn rots en mijn burcht; omwille van Uw Naam zult U mij leiden en leiden.” En in Psalm 71:3 bidt David: “Wees mij een rots der toevlucht, waartoe ik altoos heengaan mag; Gij hebt geboden dat ik verlost word, want U bent mijn rots en mijn burcht.” Deze Psalmen ademen de sfeer van zulke schuilplaatsen: een mengeling van angst, vertrouwen en diepe afhankelijkheid van God als de ultieme Rots.


Boven op de heuvel, direct boven de grot, zien we de eerder besproken ruïne, waarschijnlijk bedoeld als een toren-achtige herdenkingsstructuur. Hoewel exacte dateringen voor deze specifieke site beperkt zijn gedocumenteerd, past de indruk van vlakke, grote stenen en de algemene bouwstijl goed bij resten uit de Hasmoneeën-periode (ca. 167–37 voor Christus, de tijd van Joodse onafhankelijkheid na de Maccabeese opstand).

Archeologisch gezien past dit ook in het bredere patroon van de heuvels ten zuiden van Hebron: overal resten van historische Joodse nederzettingen uit de Hellenistische, Romeinse en vooral Byzantijnse periode (4de tot 7de eeuw na Christus). Grotten werden uitgebreid tot woon- en opslagruimtes, mikwes (rituele baden) en synagogen. Het eerder bezochte oude Susya (Khirbet Susya) is daar het mooiste voorbeeld van: een bloeiende Joodse stad met een prachtige synagoge uit de 4de tot 7de eeuw na Christus, rijk aan mozaïeken (inclusief Hebreeuwse inscripties), die getuigt van een eeuwenlange levendige Joodse gemeenschap.


Ik daal als eerste af in de grot zelf. De ingang is smal en laag: een tunnel van ruwe rotsblokken, nauwelijks breed genoeg om rechtop door te gaan. Een straaltje daglicht valt schuin naar binnen en verlicht de donkere, koele ruimte. Binnenin zie ik ruwe muren, resten van oude stenen stapels en bouwsels die eeuwen hebben getrotseerd. Wat heeft zich hier in al die eeuwen allemaal afgespeeld vraag ik mezelf af.



Binnenin voelt het als een absolute afzondering: geen geluid behalve je eigen ademhaling, geen afleiding behalve de schaduwen op de steen. Hier zat David, volgens de overlevering, alleen met zijn harp, zijn angsten en God: een jongeman op de vlucht, maar diep verbonden met de Ene die hem tot koning zou zalven. De grot ademt in ieder geval die eenzaamheid zelfs al staan boven de grot mijn reisgenoten. Je kunt bijna horen hoe de snaren trillen in de stilte, terwijl woorden van wanhoop en vertrouwen worden gevormd tot psalmen die tot op de dag van vandaag worden gezongen. Ik klim weer naar boven, het daglicht tegemoet.


Tegenwoordig ligt de grot van David in de directe nabijheid van de moderne plaats Susya: een kleine, hechte Joodse gemeenschap.


Ik bedenk me dat het toch wel apart is: een grot die David circa 3.000 jaar geleden beschermde, een ruïne boven de grot die circa 2.000 jaar geleden werd gebouwd en het moderne Susya, een plek die vandaag de dag getuigt van vasthoudendheid en geloof in de eeuwige belofte van God dat dit land het Joodse volk toebehoort. In deze zelfde heuvels, waar Saul ooit joeg en David bad, blijven Joodse mensen wonen, bidden en getuigen, omdat de Rots der eeuwen hen leidt: precies zoals Hij beloofde.


Niet lang daarna rijden we verder met de bus, wetend dat de woestijn (hoe kaal hij ook lijkt) overal de verbondenheid van het volk Israël maar ook de Bijbel met dit historische land aantoont.


In de volgende blog bezoeken we een Joodse nederzetting dat regelmatig te maken krijgt met Arabische provocaties en vertekende berichtgeving in de media.



Comments


bottom of page